Proloog
Ik ben 16 jaar en ik ga emigreren. Mijn naam is Jennifer. Ik ga emigreren op 24 november, naar het land van mijn dromen. Het land van koala’s en de Aboriginals. Ik ben er nog nooit geweest en ken het land eigenlijk alleen van de soaps op televisie en uit de boeken van de bibliotheek. Toch voel ik dat daar mijn toekomst ligt. Ook al is het nu alleen nog maar een droom, een toekomst die me slapeloze nachten bezorgt. Maar nu lig ik ook wakker, in het huis waarin ik geboren en getogen ben. De geluiden die ik al mijn leven lang ken, maar die me nooit echt vertrouwd zijn geworden. Ze jagen me angst aan, ook nu nog terwijl ik toch geen klein meisje meer ben en mijn besluit heb genomen. Maar toch… Ook al is het een droom, een toekomst die me slapeloze nachten bezorgt. Nachten waarin ik wakker lig en luister naar de geluiden in huis. Een huis waarin ik geboren ben met geluiden die ik al mijn leven lang ken, maar ook geluiden die me nooit echt vertrouwd zijn gaan voelen. Geluiden die me angst aanjagen, ook nu nog, nu ik geen klein meisje meer ben en mijn besluit heb genomen. Maar toch …
Ik weet dat afscheid nemen pijn kan doen en natuurlijk had ik liever willen blijven, maar ik houd het hier niet meer uit. Blijven zal nog veel meer pijn doen.
Ik ga emigreren, naar het land van mijn dromen. Het land van mijn dromen heet…
AUSTRALIË

Barry
𝓞𝓶 𝓱𝓮𝓽 𝓰𝓮𝓫𝓸𝓾𝔀 𝓼𝓽𝓪𝓪𝓽 𝓮𝓮𝓷 𝓱𝓸𝓸𝓰 𝓱𝓮𝓴 𝓶𝓮𝓽 𝓹𝓻𝓲𝓴𝓴𝓮𝓵𝓭𝓻𝓪𝓪𝓭 𝓭𝓪𝓽 𝓶𝓮 𝓭𝓸𝓮𝓽 𝓭𝓮𝓷𝓴𝓮𝓷 𝓪𝓪𝓷 𝓱𝓮𝓽 𝓱𝓮𝓴 𝓿𝓪𝓷 𝓮𝓮𝓷 𝓰𝓮𝓿𝓪𝓷𝓰𝓮𝓷𝓲𝓼 𝓸𝓯 𝓬𝓸𝓷𝓬𝓮𝓷𝓽𝓻𝓪𝓽𝓲𝓮𝓴𝓪𝓶𝓹. 𝓘𝓴 𝓵𝓸𝓸𝓹 𝓸𝓶 𝓱𝓮𝓽 𝓰𝓮𝓫𝓸𝓾𝔀 𝓱𝓮𝓮𝓷, 𝓷𝓲𝓮𝓽 𝔀𝓮𝓽𝓮𝓷𝓭 𝔀𝓪𝓽 𝓲𝓴 𝓪𝓷𝓭𝓮𝓻𝓼 𝓶𝓸𝓮𝓽 𝓭𝓸𝓮𝓷. 𝓐𝓪𝓷 𝓭𝓮 𝓪𝓬𝓱𝓽𝓮𝓻𝓴𝓪𝓷𝓽 𝓸𝓷𝓽𝓭𝓮𝓴 𝓲𝓴 𝓮𝓮𝓷 𝓰𝓪𝓽 𝓲𝓷 𝓱𝓮𝓽 𝓱𝓮𝓴. 𝓗𝓮𝓽 𝓲𝓼 𝓰𝓮𝓮𝓷 𝓰𝓻𝓸𝓸𝓽 𝓰𝓪𝓽, 𝓶𝓪𝓪𝓻 𝓰𝓻𝓸𝓸𝓽 𝓰𝓮𝓷𝓸𝓮𝓰 𝓿𝓸𝓸𝓻 𝓶𝓲𝓳 𝓸𝓶 𝓭𝓸𝓸𝓻𝓱𝓮𝓮𝓷 𝓽𝓮 𝓴𝓻𝓾𝓲𝓹𝓮𝓷, 𝓮𝓷 𝓭𝓪𝓽 𝓭𝓸𝓮 𝓲𝓴 𝓭𝓪𝓷 𝓸𝓸𝓴. 𝓘𝓴 𝓴𝓻𝓾𝓲𝓹 𝓿𝓸𝓸𝓻𝔃𝓲𝓬𝓱𝓽𝓲𝓰 𝓭𝓸𝓸𝓻 𝓱𝓮𝓽 𝓰𝓪𝓽 𝓮𝓷 𝓼𝓵𝓾𝓲𝓹 𝓸𝓶 𝓱𝓮𝓽 𝓰𝓮𝓫𝓸𝓾𝔀 𝓱𝓮𝓮𝓷.

Verstoten
𝐼𝑘 𝑣𝑒𝑟𝑙𝑎𝑎𝑡 𝑑𝑒 𝑘𝑎𝑚𝑒𝑟 𝑚𝑒𝑡 ℎ𝑒𝑡 𝑘𝑙𝑒𝑖𝑛𝑒 𝑚𝑒𝑖𝑠𝑗𝑒. 𝐼𝑘 𝑙𝑜𝑜𝑝 𝑙𝑎𝑛𝑔𝑧𝑎𝑎𝑚 𝑜𝑣𝑒𝑟 𝑑𝑒 𝑔𝑎𝑛𝑔. 𝑊𝑒 𝑘𝑜𝑚𝑒𝑛 𝑙𝑎𝑛𝑔𝑠 𝑘𝑎𝑚𝑒𝑟𝑠 𝑚𝑒𝑡 𝑗𝑜𝑛𝑔𝑒 𝑚𝑜𝑒𝑑𝑒𝑟𝑠 𝑑𝑖𝑒 𝑡𝑒𝑣𝑟𝑒𝑑𝑒𝑛 𝑜𝑣𝑒𝑟 ℎ𝑢𝑛 𝑝𝑎𝑠𝑔𝑒𝑏𝑜𝑟𝑒𝑛 𝑧𝑜𝑜𝑛 𝑜𝑓 𝑑𝑜𝑐ℎ𝑡𝑒𝑟 𝑑𝑟𝑜𝑚𝑒𝑛. 𝐾𝑎𝑚𝑒𝑟𝑠 𝑤𝑎𝑎𝑟𝑖𝑛 𝑡𝑟𝑜𝑡𝑠𝑒 𝑣𝑎𝑑𝑒𝑟𝑠 𝑚𝑜𝑒𝑖𝑡𝑒 ℎ𝑒𝑏𝑏𝑒𝑛 𝑜𝑚 𝑛𝑖𝑒𝑡 𝑡𝑒 ℎ𝑎𝑟𝑑 𝑡𝑒𝑔𝑒𝑛 ℎ𝑢𝑛 𝑣𝑟𝑜𝑢𝑤𝑒𝑛 𝑡𝑒 𝑝𝑟𝑎𝑡𝑒𝑛 𝑜𝑣𝑒𝑟 ℎ𝑢𝑛 𝑒𝑒𝑟𝑠𝑡𝑒 𝑘𝑖𝑛𝑑. 𝐾𝑎𝑚𝑒𝑟𝑠 𝑤𝑎𝑎𝑟𝑖𝑛 𝑎𝑙𝑙𝑒𝑠 𝑣𝑟𝑒𝑑𝑖𝑔 𝑣𝑒𝑟𝑙𝑜𝑜𝑝𝑡. 𝑀𝑒𝑡 𝑡𝑟𝑎𝑛𝑒𝑛 𝑖𝑛 𝑚𝑖𝑗𝑛 𝑜𝑔𝑒𝑛 𝑘𝑖𝑗𝑘 𝑖𝑘 𝑛𝑎𝑎𝑟 ℎ𝑒𝑡 𝑘𝑖𝑛𝑑. 𝑍𝑖𝑗 𝑙𝑖𝑔𝑡 𝑖𝑛𝑚𝑖𝑑𝑑𝑒𝑙𝑠 𝑜𝑜𝑘 𝑣𝑟𝑒𝑑𝑖𝑔 𝑡𝑒 𝑠𝑙𝑎𝑝𝑒𝑛, 𝑚𝑎𝑎𝑟 𝑖𝑘 𝑤𝑒𝑒𝑡 𝑑𝑎𝑡 𝑑𝑒 𝑤𝑒𝑟𝑒𝑙𝑑 𝑣𝑒𝑒𝑙 𝑡𝑒 𝑤𝑟𝑒𝑒𝑑 𝑖𝑠 𝑣𝑜𝑜𝑟 𝑑𝑖𝑡 𝑘𝑙𝑒𝑖𝑛𝑒 𝑚𝑒𝑖𝑠𝑗𝑒, 𝑑𝑒𝑧𝑒 𝑣𝑒𝑟𝑠𝑡𝑜𝑡𝑒𝑛𝑒. 𝑉𝑜𝑜𝑟 𝑑𝑒 𝑑𝑒𝑢𝑟 𝑣𝑎𝑛 𝑧𝑎𝑎𝑙 𝟹𝟶𝟾 𝑏𝑙𝑖𝑗𝑓 𝑖𝑘 𝑠𝑡𝑎𝑎𝑛.

Monotoon
𝐼𝓀 𝓈𝓉𝒶 𝒾𝓃 𝒹𝑒 𝒹𝑒𝓊𝓇𝑜𝓅𝑒𝓃𝒾𝓃𝑔 𝓋𝒶𝓃 𝒹𝑒 𝓀𝑒𝓁𝒹𝑒𝓇/𝓈𝓉𝓊𝒹𝒾𝑜. 𝐻𝑒𝓉 𝒾𝓈 𝒹𝑜𝓃𝓀𝑒𝓇 𝑒𝓃 𝒾𝓀 𝓀𝒶𝓃 𝓃𝒾𝓀𝓈 𝑜𝓃𝒹𝑒𝓇𝓈𝒸𝒽𝑒𝒾𝒹𝑒𝓃. 𝒯𝑜𝒸𝒽 𝓌𝑒𝑒𝓉 𝒾𝓀 𝒹𝒶𝓉 𝒹𝒶𝒶𝓇, 𝑒𝓃𝓀𝑒𝓁𝑒 𝓂𝑒𝓉𝑒𝓇𝓈 𝓋𝑜𝑜𝓇 𝓂𝑒, 𝒾𝑒𝓂𝒶𝓃𝒹 𝓂𝑒𝓉 𝓏𝒾𝒿𝓃 𝓇𝓊𝑔 𝓃𝒶𝒶𝓇 𝓂𝑒 𝓉𝑜𝑒 𝒾𝓃 𝒹𝑒 𝑔𝓇𝑜𝓉𝑒 𝓈𝓉𝑜𝑒𝓁 𝓏𝒾𝓉. 𝐼𝓀 𝓌𝑒𝑒𝓉 𝒽𝑒𝓉, 𝑜𝓂𝒹𝒶𝓉 𝒾𝓀 𝒽𝑒𝓉 𝓏𝑜 𝓋𝑜𝑒𝓁 𝑒𝓃 𝑜𝓂𝒹𝒶𝓉 𝒹𝒶𝒶𝓇 𝒽𝑒𝓉 𝑔𝑒𝓁𝓊𝒾𝒹 𝓋𝒶𝓃 𝒹𝑒 𝓂𝑜𝓃𝒹𝒽𝒶𝓇𝓂𝑜𝓃𝒾𝒸𝒶 𝓋𝒶𝓃𝒹𝒶𝒶𝓃 𝓀𝑜𝓂𝓉. 𝐻𝑒𝓉 𝓀𝓁𝒾𝓃𝓀𝓉 𝓉𝓇𝑒𝓊𝓇𝒾𝑔 𝓌𝒶𝓉 𝒽𝒾𝒿 𝓈𝓅𝑒𝑒𝓁𝓉, 𝒿𝓊𝒾𝓈𝓉 𝑜𝓂𝒹𝒶𝓉 𝒽𝑒𝓉 𝓋𝑜𝓁𝓁𝑒𝒹𝒾𝑔 𝓂𝑜𝓃𝑜𝓉𝑜𝑜𝓃 𝒾𝓈.